Uit het archief van Hennie Vrielink, aflevering 7: Luttenberg gebukt onder grondbelasting

| 26 August 2016

Afgelopen paar jaar heeft oud-Luttenberger Hennie Vrielink artikelen geschreven over de geschiedenis van Luttenberg in het kwartaalblad van de Historische Vereniging Raalte. Dankzij Hennie zijn deze artikelen de komende tijd ook te lezen op Parel van Salland.

Aflevering 7: LUTTENBERG GEBUKT ONDER GRONDBELASTING

Iedereen die zich verdiept in de lokale geschiedenis is erg blij met het Kadaster uit 1832. Daarop zijn niet alleen alle percelen uit die tijd te vinden, maar ook de naam van de eigenaar, de grootte, het soort grond, maar ook alle erven met hun boerderijnamen, grenspalen, wegen, gebiedsnamen enz. Zelfs schaapskooien zijn ingetekend. Boerderijen worden afgebeeld met een rechthoekje, maar als de boerderij een onderschoer had is dit zichtbaar aan een kleine inkeping in het rechthoekje. Ook de hele Marke Luttenberg is op die manier in kaart gebracht. Iedereen die zich verdiept in de geschiedenis van zijn (boeren)familie kan hier een schat aan informatie vinden. Nog nooit eerder is van ons land zo’n gedetailleerde landkaart gemaakt.

De vraag is echter of onze voorouders uit die tijd ook zo blij waren met de invoering van het kadaster aan het begin van de 19de eeuw.

In zijn boeiende boek “Het lege land” van Auke van der Woud, dat de ruimtelijke ordening van Nederland in de eerste helft van de 19de eeuw uitgebreid beschrijft, wordt ook de invoering van het kadaster beschreven. Al in de Franse tijd is in 1812 krachtens een Keizerlijk Decreet besloten tot opmeting van het land, maar toen Napoleon werd verdreven in 1813 en nadat de Prins van Oranje in Scheveningen was binnengehaald, is er direct besloten door te gaan met deze landopmetingen. Dit was één van de eerste besluiten van de nieuwe Nederlandse regering. Het nieuwe Nederland had immers grote financiële problemen en door het in kaart brengen van de landerijen met hun eigenaren kon er voor heel Nederland een eenduidige grondbelasting worden geheven. De overheid had geld nodig. In het kielzog van de  landmeters liepen de belastingambtenaren om de waarde van de percelen vast te stellen en op grond daarvan de hoogte van de grondbelasting te bepalen die de eigenaren voortaan moesten gaan betalen. In eerdere eeuwen moest er ook wel belasting worden betaald in de vorm van tienden en verpondingen, maar nog nooit was dit zo uitgebreid en methodisch aangepakt als bij de invoering van het kadaster. De belastingambtenaren moesten bij de taxatie van de gronden rekening houden met de kwaliteit en gebruikswaarde van de gronden. Bouwland en weiland werden bijvoorbeeld veel hoger aangeslagen dan moerassen, heidevelden e.d. En dat gaf hier en daar de nodige problemen.

Kadaster 1832

Kaart kadaster 1832 Elskamp

In de Marke Luttenberg heeft de invoering van het kadaster dramatische gevolgen gehad. Daar was men helemaal niet blij met de taxaties van de belastingambtenaren en in het Markeboek is een uitgebreide correspondentie met de Provincie Overijssel terug te vinden over dit onderwerp. In 1834 waren de erfgenamen van de Boerschop Luttenberg bijeen in het markeschooltje. Markenrigter J.J. Gansneb genaamd Tengnagel had op 26 juni 1833 een uitgebreide brief geschreven aan “zijne Excellentie den Heer Gouverneur van de Provintie Overijssel.” Hij las deze brief voor aan de aanwezige erfgenamen:  Norp, Woertman, Spijkerman namens de Heer Helmich, Roerink, Spijkkink en Wormstal. “Met de meest verschuldigde eerbied remonstreert (bezwaar maken) ” de markenrigter tegen de waardebepaling van de gemeenschappelijke gronden, waarvan de marke Luttenberg eigenaar is.  Hij doet zijn beklag over “de buitensporige hooge taxatie van de marktegronden.” De markenrigter was van mening dat een deel van de gemeenschappelijke heidevelden van de marke ten onrechte werden aangezien voor weilanden, wat leidde tot een veel te hoge grondbelasting.  “een waarde welk ieder onbevooroordeelde en der zaak kundige zoo bespottelijk hoog moet voorkomen, dat men zich waarlijk moet verwonderen dat men dezelve zoodanig heeft kunnen overdrijven.”

Het betrof heidevelden die gebruikt werden voor het steken van plaggen en op de lagere gedeelten, die bekend stonden als broekgronden, voor het weiden van schapen en ander vee. Deze schrale heidevelden met verschillende zand- en stuifbelten waren nagenoeg onbewoond en hadden op zich weinig waarde; alleen in combinatie met het landbouwbedrijf van de boerenerven kon er enige waarde aan worden toegekend. Deze velden waren op zich niet verhuurbaar. Daarnaast werd aangegeven dat deze velden niet alleen gebruikt werden door de boerenerven, maar  “ook van alle zeiden openliggende” blootgesteld waren aan “het indringen van vhee van nabuurige markten zonder dat zulks belet kan worden.” Ook de kotters of ongewaarde ingezeten maakten gebruik van deze velden waardoor er sprake was van waardeverlies voor de eigenaren (erfgenamen). Volgens Tengnagel kon het “ene absurditeit genoemd worden”  heidevelden (broekgronden) die gebruikt werden voor het weiden van schapen gelijk te stellen aan gewone weilanden.

De markenrigter gaf ook nog aan dat de vastgestelde grondbelasting op grond van zijns inziens verkeerde taxaties onmogelijk kon worden geïnd bij de ingezetenen  “bestaande uit zestig meestal behoeftige huijsgezinnen.” Hij verzocht de Gouverneur het vastgestelde tarief te verminderen en “meer naar waarheid overeenkomstig” te brengen.  Ook vroeg hij om uitstel van betaling voor een periode van zes maanden.

Op 18 oktober 1833 kreeg de markenrigter antwoord van de Gouverneur. De Gedeputeerde Staten van Overijssel hadden een besluit genomen, nadat ze advies hadden ingewonnen bij de Arrondisements Inspecteur te Deventer en een verslag van de Ontvanger der Directe Belastingen te Raalte. Gedeputeerde Staten gaf twee maanden uitstel van betaling, maar gedurende deze periode  mocht de marke geen vervolgacties ondernemen tot kwijtschelding van de verschuldigde grondbelasting. Luttenberg moest betalen, alleen twee maanden later.

De markenrigter laat het hierbij niet zitten en stuurt 25 oktober 1834 “een rekwest”  aan “Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden, Groothertog van Luxemburg enz. enz.” en de brief begint met  “Sire!”. Het lijkt wel een noodkreet.

Tengnagel legde uit dat de marke Luttenberg eigenaar is van een uitgestrekt heideveld, waarvan een gedeelte gebruikt wordt voor het weiden van vee en een gedeelte voor het steken van plaggen voor bemesting van de bouwlanden. Hij vermeldde dat er bij de invoering van het kadaster een veel te hoge waarde aan deze heidevelden is toegekend, maar dat zijn bezwaar hiertegen bij de Provincie niet tot een aanpassing heeft geleid. De opgelegde grondbelasting over 1833 kan niet worden opgebracht door de boeren “aangezien de markte van den Luttenberg bestaat uit niet meer dan 60 huijsgezinnen waaronder vooral ten gevolge der lage prijzen van de producten van landbouw, verscheidene behoeftigen zich bevinden.” De Ontvanger van Belasting was inmiddels tot executie overgegaan. Om toch de belasting te kunnen betalen zal de marke volgens Tengnagel moeten overgaan tot verkoop van markegronden “voor een spotprijs.” Tevens betekent dit dat de ingezetenen van de marke de heidevelden niet meer kunnen gebruiken, waardoor ze “hunne landerijen niet meer zullen kunnen bebouwen en tot den bedelstaf zullen gebragt worden.”  Hij verzocht de Koning tot vermindering van de opgelegde grondbelasting en hem uitstel van executie te verlenen.

Kadaster 1832

Kaart kadaster 1832 De Boerschop

Op 14 november 1834 ontving de markenrigter een brief van de Provincie, waarin werd aangegeven dat de Provincie weliswaar de beschikking van Zijne Majesteit wilde afwachten, maar dat er geen sprake kan zijn van uitstel van executie: “Overwegende dat de aangevangen executie bereids zoo verre is gevordert dat eene staking der verdere vervolging bij tijdverlies buitengewone kosten voor de administratie zoude kunnen veroorzaken.”

Op 21 november 1834 ontving de markenrigter een antwoord uit ’s Gravenhage van de Minister van Financiën als reactie op het verzoek aan de Koning. De voor die tijd korte brief eindigde met de zin: “Geeft aan den adressant te kennen dat aan zijn verzoek niet kan worden voldaan.”  Er wordt verder geen uitleg gegeven. Het is dus niet gelukt aanpassing van de grondbelasting te verkrijgen en zelfs geen uitstel van executie.

Op 21 mei 1835 weer een brief van de Gouverneur van de Provincie Overijssel. Gelet op het besluit van de Minister van Financiën en het feit dat er ook over 1835 nog geen grondbelasting is afgedragen door de marke Luttenberg was de Gouverneur van mening dat hij zich onbevoegd achtte om aan verzoek tot verder uitstel enig gunstig gevolg te geven “en het dus zeer geraden is ervoor te zorgen dat de algeheele aanbetaling der verschuldigde grondbelasting in dezen ten spoedigsten immers voor het uiteinde deze lopende maand Meij plaats hebben teneinde anders onvermijdelijke dwangmiddelen met daarmede verbonden kosten te voorkomen.” Het mes wordt de Luttenbergers op de keel gezet. Betalen en zo snel mogelijk! Er was nog niet betaald over 1833 en 1834 en inmiddels was het al medio 1835. De belastingschuld liep steeds verder op.

In de markevergadering van 6 maart 1835 was reeds besloten om de inkomsten van de marke te verhogen door degenen die het recht van weiden bezaten in het Schanebroek jaarlijks voor een paard of koebeest een bedrag van 1 gulden te laten betalen en voor ieder schaap en gans vijftig cent. Dit leverde echter onvoldoende op om de achterstallige grondbelasting te kunnen voldoen.

Vooruitlopend op het formele besluit van de Provincie Overijssel  en met vermoedelijke voorkennis hiervan verzuchtte  de markenrigter tijdens de vergadering van 20 maart 1835 “dat na alle aangewende moeite als ingediende reclame, rekwest aan den Heer Gouverneur als aan Zijne Majesteit de Koning en daarop bekomen antwoorden tot bekoming van ontslag van vermindering van veldverponding voor de markte Luttenberg, als surceance van de reeds begonnen dwangmiddelen door den Ontvanger te Raalte, maar dit alles niet hebbende kunnen baten: te rade is geworden om aan de Erfgenamen voor te slaan om tot voorkoming van meerdere kosten voor de markte; gelden op te neemen en hoe eerder hoe beter de verschuldigde veldverponding over 1833 en 1834 alsmede de reeds verschuldigde rekening der begonnen Procedure aan de Heer Procureur F.G. Honek te voldoen. Welk voorstel door de presente Erfgenamen goedgekeurd zijn de Markenrigter verzogt word een en ander te bewerkstellingen.”

Naast markenrigter Tengnagel waren tijdens deze dramatische vergadering in Zwolle aanwezig: A. Helmich namens zijn vader, Norp, Woertman, Spijkerhuis, Wormstal, Roerink en Hekkink. Om “de verschuldigde veldverponding” over 1833 en 1834 te kunnen betalen nemen de erfgenamen het ingrijpende besluit twee katersteden van de marke  “publiek in veiling te brengen.”  Het betreft de kadersteden Mestebeld en Koemate. Adjunct markenrigter G. Norp wordt verzocht dit tot uitvoering te brengen en “zulks heeft hij aangenomen.” De vraag is wat er met de pachters van deze katersteden is gebeurd.

Wel heeft het er alle schijn van dat er later toch een hertaxatie van de weidegronden van de Marke heeft plaatsgevonden. Hierover is niets in het markeboek terug te vinden, maar in de registers van het kadaster (de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafel) die in 1832 formeel zijn vastgesteld zijn drie rectificaties aangebracht. De marke had veel grond in het Schanebroek en een groot deel van deze grond dat in eerste instantie als “weiland” werd gekwalificeerd, is later gewijzigd in “schaapsweide”; hetzelfde is gebeurd in de Loomate en het Hageveld. In het register is het woord “weiland” doorgehaald en vervangen door “schaapsweide.” Onduidelijk is wanneer deze wijzigingen zijn aangebracht. Volgens dezelfde registers is het belastingtarief voor schaapsweide vele malen lager dan die voor weiland.

Aan het einde van de 19de eeuw en in de eerste decennia van de 20ste eeuw zijn de genoemde schaapsweiden ontgonnen en werden het echte weilanden voor het weiden van koeien en gebruik als hooiland. Vanaf het midden van de 19de eeuw had zich een belangrijke wijziging voorgedaan in het boerenbedrijf. Naast het akkerbouwbedrijf dat vooral gericht was op de verbouw van rogge werd het melkvee belangrijker en was er meer weiland nodig. De schapen verdwenen en er kwamen koeien voor in de plaats. Misschien hadden de belastingambtenaren in 1832 een vooruitziende blik.

Door Hennie Vrielink

 

Categorie: < 1949, Algemeen, Cultuur, Historisch Archief

Comments are closed.