Uit het archief van Henny Vrielink: Aflevering 6: Ontstaan van de eigen kerk in Luttenberg

| 31 July 2016

Afgelopen paar jaar heeft oud-Luttenberger Hennie Vrielink artikelen geschreven over de geschiedenis van Luttenberg in het kwartaalblad van de Historische Vereniging Raalte. Dankzij Hennie zijn deze artikelen de komende tijd ook te lezen op Parel van Salland.

 

Aflevering 6: ONTSTAAN VAN HET KERKDORP LUTTENBERG

Luttenberg wilde een eigen kerk. Al in 1779 hebben de boeren Evert Wormstal en Jan Harms uit de Boerschop Luttenberg het geprobeerd. Met ondersteuning van aartspriester Nicolaas Pas hebben ze samen met enkele Heetenaren een verzoek gericht aan het provinciebestuur van Overijssel om een nieuwe kerk te mogen bouwen in Heeten en Luttenberg. Het verzoek leverde niet direct resultaat op. Het is de Heetenaren met hulp van Baron Bentinck van Schoonheten wel gelukt in 1795 een eigen kerk te laten inzegenen, maar Luttenberg moest nog enkele tientallenjaren wachten. Als het de Luttenbergers toen ook gelukt was zou de kerk hoogstwaarschijnlijk in de Boerschop zijn gebouwd en zou het kerkdorp op de huidige plek niet tot ontwikkeling zijn gekomen.

De Luttenbergers hadden sinds ongeveer 1660 een eigen schuilkerk in boerderij Wormstal, waar eenmaal per maand de Heilige Mis werd opgedragen. In het begin gebeurde dat in het geheim door rondreizende priesters, omdat de overheid godsdienstoefeningen van de katholieken zoveel als maar mogelijk tegenwerkte of het gedoogde als er met geld werd geschoven. De andere zondagen konden de Luttenbergers vanaf 1750 kerken in de schuurkerk op De Heemen bij  Raalte of naar het schuurkerkje in Haarle. Het kerkhof, waar in die tijd ook Luttenbergers werden begraven lag tegenover de schuurkerk op  De Heemen in de Assendorperhoek.

Er heeft in de eeuwen daarvoor wel een kapelletje in De Boerschop gestaan, maar hoogstwaarschijnlijk nooit gebruikt om een mis op te dragen; zeker niet vanaf 1600 toen het de katholieken verboden werd godsdienstoefeningen te houden. Op de plek van het oude kapelletje is later het eerste schooltje van Luttenberg gebouwd.

 

De Luttenbergers blijven opnieuw proberen een eigen kerk te krijgen. In 1819 wordt aan koning Willem I subsidie gevraagd zonder succes. In 1830 volgt weer een verzoekschrift, waarin tevens wordt aangegeven hoe in boerderij Wormstal de diensten worden gehouden: “Het bewoond boerenhuis, waar deze eredienst moet worden gehouden en in de winter in het midden van paarden en beesten, is geenszins geschikt en levert menig hinderpaal tot waardige viering van de godsdienst”. Ook is het te klein om alle gelovigen te herbergen. 95% van de ongeveer 300 Luttenbergers was katholiek  volgens de volkstelling van 1809 en daarmee samen met Haarle de meest katholieke gemeenschap in Salland. Gerrit Norp en Jan Wormstal uit Luttenberg samen met Cornelis Brunselman en Gerrit Klein Wolthaar uit Achter Linderte kregen in 1833 wel toestemming om een kerk in Luttenberg te bouwen en kregen daarvoor rijkssubsidie van fl. 5000,– met als voorwaarde dat het kerkgebouw moest voldoen aan de eisen van de ingenieurs van het Ministerie van Waterstaat. Daarom werd het kerkje ook wel een waterstaatskerk genoemd. De Luttenbergers zelf moesten nog fl. 1000,– bijdragen aan de bouw.

De reden dat de boeren uit Achter Linderte graag wilden gaan kerken in Luttenberg is waarschijnlijk veroorzaakt door de kerkenstrijd in Raalte. De dorpelingen van Raalte wilden dat de kerk op De Heemen zou worden verplaatst naar het dorpscentrum in Raalte, terwijl de boeren van Linderte het liefst de kerk op De Heemen wilden handhaven. Vooral voor de boeren van Achter Linderte zou de afstand naar de kerk in het dorpscentrum van Raalte dan een stuk langer worden. Luttenberg was dichterbij.

In 1834 wordt in het Markeboek melding gemaakt van het afstaan van een hoekje veldgrond van de marke aan de kerk: “De Markenrigter rapporteert dat naar opmeeting bevonden is, dat de hoek veldgrond liggende ten Westen in het hangende van den Luttenberger Berg bij den Elskamp groot te zijn vijfentwintig roeden Breed en vijftig Roeden lang als zullende stucken volgens verzoek gedaan door G. Norp en J. Wormstal als kerkvoogden tot het bouwen van een Kapel of Kerkjen. Zoo is daarop na deliberatie goed gevonden deze opgemeeten grond tot dat einde af te staan zonder enig regt om verder eenige vergroting, uitbreiding of verlenging van deze grond aanvrage te doen of te mogen erlangen.” De bouwgrond werd dus geschonken door de Marke. Vanaf het begin werd dit de Kerkenhoek genoemd.

Er was nog wel onenigheid met pastoor Elling uit Raalte over de plaats waar de kerk in Luttenberg moest worden gebouwd. Pastoor Elling vond dat de kerk te dicht aan de voet van de berg kwam te staan in verband met het risico van mogelijke wateroverlast en hij had liever gezien dat de kerk tussen “den Elskamp en Bloemenhuis” zou worden gebouwd. Hij zou gezegd hebben: “Er wordt geen kerk in Overijssel zo gek geplaatst als die te Luttenberg.”  Als de pastoor zijn zin had gekregen zou de kerk gebouwd zijn ongeveer op de  plek waar nu de enige rotonde van Luttenberg ligt.

De nieuwe kerk kwam te liggen tussen de Boerschop en Landgoed De Elskamp ongeveer op de grens van Marke Luttenberg en Buurschap Achter Linderte. De huidige Harmelinkstraat was toen grenspad. Achter Linderte was nog deel van de Marke Raalterwold en behoorde nog niet tot Luttenberg. Wel werden de inwoners op dat moment parochiaan van de kerk van Luttenberg en 175 jaar later zijn de inwoners van Achter Linderte volkomen geïntegreerd in de Luttenbergse gemeenschap alsof ze daar altijd toe hebben behoord.

In 1834 kwam het nieuwe kerkje gereed. Tot patroon werd gekozen Sint Cornelius. Toeval of niet?; de oude Plaskerk van Raalte werd in 1429 nog de “Sente Cornelius kerk te Raelte” genoemd en kreeg later de naam van het Heilige Kruis (Kruisverheffing). Tijdens de reformatie is deze oude kerk in handen gekomen van de gereformeerden. Het nieuwe kerkje van Luttenberg kreeg bij de inwijding van de bisschop een relikwie van Cornelius, die nu in een mooi relikwiekastje onder het altaar van de huidige kerk staat.

Tot 1838 werden de missen in het nieuwe kerkje opgedragen door de pastoor Elling of kapelaan Rientjes uit Raalte. In 1838 kreeg Luttenberg een eigen pastoor Johannes Willemsen en werd een zelfstandige statie. In 1853 is de statie Luttenberg tot de parochie van de H. Cornelius verheven. Pastoor Willemsen heeft het terrein rondom de kerk laten ontginnen en er een prachtige tuin met vijver en mooi bos laten aanleggen.

Ook een aantal weldoeners heeft bijgedragen aan de nieuwe kerk. Het katholieke echtpaar Helmich-Middachten van landgoed De Elskamp was een grote weldoener evenals de erfgenamen van de familie Woerdman en de gezusters Koopmans. Hendrikus Vossebelt ongehuwd en geen familie liet zelfs zijn gehele nalatenschap aan de kerk vermaken.

Rond het nieuwe kerkje begon zich het dorp Luttenberg te vormen. Al in 1834 probeert Gerrit Norp toestemming te krijgen voor het bouwen van een korenmolen, maar dat krijgt hij niet. Zijn verzoek werd in een tijdsbestek van  zeven jaren vier keer afgewezen. Hij gaat in beroep bij de Minister van Financiën en stelt dat de belastingdienst misbruik maakt van de wet op het gemaal. Dit wordt zelfs besproken in de Tweede Kamer. Hij krijgt echter nul op het rekest. Dit is waarschijnlijk de eerste en laatste keer dat in de Tweede Kamer over Luttenberg is gedebatteerd. In 1843 en 1848 werden vier van dergelijke verzoeken van A. Kortenhorst uit Lemele ook afgewezen. In 1847 verzocht molenaar Feijen uit Dalfsen om een molen te mogen bouwen en in 1848 ontving Feijen wel een vergunning voor molenbouw. Waarschijnlijk heeft Feijen deze molen gebouwd in opdracht van A. Kortenhorst. (bron: Uit de geschiedenis van Dalfsen. Red.: J. ten Hove en anderen; blz 330). Kortenhorst bouwt naast de molen ook een bakkerij en een huis. In 1849 koopt hij er nog een stukje grond bij.

Restant molen in Luttenberg

Oude foto uit 1972 door Hennie Vrielink. Met restanten van de molen Luttenberg

Vanaf 1848 nadat de marke Luttenberg na verdeling van de markegronden werd opgeheven kwam er meer bedrijvigheid rond de kerk. Inmiddels had zich op dat moment al een kastelein gevestigd tegenover de kerk: Hendrikus Korenromp in herberg den Dul, ook wel het Kerkenhuis genoemd. bouwen. Smit Middendorp koopt een stuk grond bij de herberg om daar een woning te timmeren met een smederij. Hij krijgt daarvoor toestemming onder de voorwaarde daar geen nering of ander bedrijf uit te oefenen om concurrentie met Kortenhorst te voorkomen. Al in 1855 wordt het huis met de smederij al weer te koop aangeboden. In de krantenadvertentie wordt gesproken van een “welbeklante smederij”.

In 1868 komt een nieuwe gemeentelijke openbare school gereed in de kerkenbuurt, hoewel bij een grote storm op maandagavond 28 december 1868 de voorgevel van deze nieuwe school instortte en opnieuw moest worden opgemetseld. Die avond beukte over heel Nederland een zware storm en richtte veel schade aan. De oude school in de Boerschop werd achtergelaten. Voortaan moesten de boerenkinderen naar de school in het dorp.

In 1869 wordt de herberg tegenover de kerk, waarin tevens een kruidenierswinkel is gevestigd te huur aangeboden. Dit was het Kerkenhuis. Belangstellenden konden hun inschrijvingsbiljetten inzenden aan de Pastorie van Luttenberg. Nooit geweten dat pastoor Korte van Luttenberg een kroeg in de verhuur deed.  Kerk en kroeg hebben in Luttenberg altijd dicht bij elkaar gelegen.

In 1876 wordt door de weduwen Kortenhorst na het overlijden van de mulder de koren- en pelmolen, alsmede een koekenbrekerij, een woonhuis met daarin een kruidenierswinkel en bakkerij, en meer dan 23 bunder grond te koop aangeboden en ingezet voor een bedrag van f 15.870,–

Hoe het in die tijd toeging in de parochie is beeldend beschreven door kapelaan Danes die van 1887 tot 1898 de bejaarde pastoor Korte bij  zijn pastorale arbeid bijstond. Ik verwijs naar het boek De Marke Luttenberg van J.J. Reinking waarin de aantekeningen van Danes integraal zijn opgenomen. Uit de toon van de kapelaan blijkt wel dat hij zich ver verheven voelde boven het gewone boerenvolk. Ook wordt duidelijk dat de Luttenbergers goed gehoor gaven aan de oproep van deze kapelaan tijdens zijn afscheidspreek: “ om mooi te kunnen preken moet je goed gevoerd worden”. De bewoners van de pastorie kwamen niets tekort.

In 1889 was er kennelijk onenigheid in het dorp over het Kerkenhuis. Kapelaan Danes liet het Kerkenhuis ontruimen en de vergunning verlopen, zodat er een einde kwam aan de plaatselijke tweedracht. Hij verhuurde het huis en grond aan Jan Hagevoorde voor vijftig gulden jaars. Vijf jaar later werd W.H. Groeyen de nieuwe huurder voor zestig gulden, terwijl deze de vernieuwingen van deuren, ramen, kelder enz. zelf bekostigde.

De kern van Luttenberg had zich definitief verplaatst van de Boerschop naar de Kerkenhoek. Na zeventig jaar voldeed het waterstaatskerkje niet meer. Rond 1905 werd aan de rechterkant (vanaf de weg gezien) van het oude kerkje een nieuwe neogotische kerk gebouwd en het oude kerkje afgebroken. Dat is de reden dat de pastorie zo ver naar achteren ligt: op de grond daarvoor had het oude kerkje gestaan met de pastorie erachter. Rond die tijd had zich aan de Kerkstraat  al een hele dorpsgemeenschap gevestigd en ging Luttenberg de twintigste eeuw binnen.

Luttenberg oude kerk

Kerkje van Luttenberg van 1834. (Foto is voor 1905)

 

Na het vroegtijdig overlijden van pastoor Ten Dam in 1906 begon pastoor Butzelaar aan zijn 32-jarige loopbaan als zielenherder van de parochie Luttenberg in de nieuw gebouwde kerk. Eén van zijn eerste daden tot op de dag van vandaag zichtbaar was het laten aanleggen van een processiepad. Toen de katholieken in de 19de eeuw weer vrijheid van godsdienst kregen leverde dat irritatie op bij de protestanten, die het voor elkaar kregen dat in de Grondwet van 1848 werd opgenomen dat “openbare godsdienstoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen” wettelijk werd verboden. Pastoor Butzelaar wilde toch graag processies organiseren in de open lucht, maar dat mocht niet op de openbare weg volgens het zogenoemde processieverbod. Hij wist dit verbod te omzeilen en liet op grond van de kerk rondom de kerkenweide (het kerkenlaentie), pastoorstuin en pastoorsbos in 1913 een aaneengesloten processiepad aanleggen. De kerk vormde het begin- en eindpunt, zoals ook in elk katholiek mensenleven van die tijd. Het pad werd van de openbare weg afgeschermd door een sloot en het planten van bomen. Bij een processie horen ook rustplaatsen waar gebeden, gepreekt en gezongen kan worden en daarvoor was een Mariagrot uiterst geschikt en die kwam gereed in 1915. Terwijl elders in Europa de Grote Oorlog woedde, leidde pastoor Butzelaar de Luttenbergers met straffe hand in en om de nieuwe kerk het glorieuze Rijke Roomse tijdperk in.

 

Hennie Vrielink

Categorie: < 1949, 175 jaar Kerkdorp, Algemeen

Comments are closed.