Uit het archief van Hennie Vrielink, aflevering 4: De markeverdeling in Luttenberg

| 21 May 2016

Afgelopen paar jaar heeft oud-Luttenberger Hennie Vrielink artikelen geschreven over de geschiedenis van Luttenberg in het kwartaalblad van de Historische Vereniging Raalte. Dankzij Hennie zijn deze artikelen de komende tijd ook te lezen op Parel van Salland.

Deze aflevering gaat over de verdeling van de gemeenschappelijke markegronden in Luttenberg in 1848. Misschien een iets technisch verhaal voor liefhebbers, maar wel een belangrijk moment in de geschiedenis van Luttenberg. De boeren hadden namelijk alleen maar eigen bouwland op de Enk en weilanden, maar de rest van de grond was al honderden jaren (vermoedelijk al vanaf ongeveer 1350) gemeenschappelijk bezit van de eigenaren van de gewaarde boerderijen. In 1848 zijn de gemeenschappelijke gronden verdeeld onder de Luttenbergers. Ik heb dit verdelingsproces uitvoerig bestudeerd en vastgelegd in onderstaand artikel.

door Hennie Vrielink

Of er in 1848 in Raalterdorp op de woensdagen al veemarkt was weet ik niet, maar op woensdag 3 mei 1848 kwamen de gewaarde boeren van de marke Luttenberg wel naar Raalte. In herberg Den Zwarten Arend van kastelein Willemsen was er een markevergadering belegd door markenrichter Fortuijn. In de marke Luttenberg zou ongeveer 1400 bunder gemeenschappelijke grond verdeeld gaan worden.

Provinciale Overijsselsche en Zwolse Courant 12 mei 1848

Provinciale Overijsselsche en Zwolse Courant 12 mei 1848

Commissie en plan van verdeling

Al in 1842 was er in de markevergadering gesproken over mogelijke verdeling van de gemeenschappelijke gronden. De erfgenamen besloten hierover regelmatig te vergaderen, waarbij ook nadrukkelijk werd afgesproken dat alle erfgenamen zoveel mogelijk de vergaderingen persoonlijk zouden bijwonen. Met name de persoonlijke aanwezigheid van de twee grootgrondbezitters de heer Coenraad Willem Baron Sloet van Tweenijenhuizen en de heer Theodorus Helmich van De Elskamp was gewenst. Het erfgenaamschap van deze twee eigenaren met hun pachtboeren stamde nog uit het feodale tijdperk van de eeuwen daarvoor. De overige erfgenamen waren boeren uit Luttenberg die in de tweede helft van de 18 de eeuw eigenaar waren geworden van gewaarde erven. Op de belangrijke vergadering van 22 september 1847 was Theodorus Helmich wel aanwezig, maar liet de heer baron Sloet het afweten; die zich liet vertegenwoordigen door zijn jager in Luttenberg Engbert Engberts. Sommige erfgenamen kwamen te laat zoals in het markeboek geschreven: “Waarna nog ter vergadering verschenen is Hermannus Scholten op Hekking.” Tijdens deze vergadering werd besloten over te gaan tot verdeling van de gemeenschappelijke markegronden. Om dit verder te regelen en uit te voeren werd er op 12 april 1848 een Commissie benoemd: A.Fortuijn markenrichter, E. Engberts gemachtigde van baron Sloet, D. Spiekerhuis, W. Roerink en G.Kouwert. Tevens werd de commissie geassisteerd door de heer Immink, schoolonderwijzer uit Lemele. Deze commissie maakte een ” Plan van Verdeeling” gedateerd 29 juli 1848.

In Oost-Nederland was vanaf het begin van de 19 de eeuw al veel maatschappelijke discussie geweest over de wenselijkheid van markeverdelingen. Met name landbouwvernieuwers propageerden markeverdeling in een algemeen streven naar vooruitgang. Veel boeren verzetten zich hier in het begin tegen omdat ze ervan overtuigd waren dat er geen landbouw kon worden bedreven zonder de gemeenschappelijke woeste gronden. In het proefschrift Mandegoed Schandegoed van H.B. Demoed wordt uitgebreid ingegaan op de markeverdelingen in Oost-Nederland in de 19 de eeuw. In art.7 van het Plan van Verdeeling van de Marke Luttenberg wordt het doel van de markeverdeling als volgt aangegeven: “Teneinde het hoofddoel der verdeeling van de gemeene gronden, namelijk bevordering der belangen en welvaart van de landbouwenden stand, zoveel mogelijk te bereiken, met inachtneming zoowel der regten van de gewaarden als der behoeften van alle ingezetenen der marke zal de verdeeling geschieden op de drievolgende grondslagen.” Verderop in dit artikel zal ik ingaan op deze verdeelsleutel.

Zowel boeren met een gewaardheid in de marke als ongewaarde boeren kregen een deel van de gemeenschappelijke heide- en groengronden toegewezen. Ook werden er afspraken gemaakt over het onderhoud en herstel van de wegen, waterleidingen, bruggen en duikers. Het markeschooltje in de Boerschop was al in 1829 overgedragen aan de gemeente Raalte. De commissie kon bij de uitvoering van de verdeling de hulp inroepen van alle ingezetenen en een bijzondere bepaling betrof het oproepen van de ongewaarden tot ”kielspitten”: het graven van kleine greppels om een stuk land om de afscheidingen tussen de verschillende percelen te markeren. Na de verdeling waren de nieuwe eigenaren verplicht de grenzen van de aan hen toegewezen gronden af te bakenen. Weidegronden moesten door de eigenaren van de omliggende percelen worden afgebakend door het samen graven van sloten en de afbakening van de heide door het graven van greppels.

Verdeelsleutel

Alle ingezetenen, zowel de gewaarde als ongewaarde boeren kregen een aantal aandelen in de te verdelen markegronden toegewezen. Om het aantal aandelen per ingezetene te bepalen werden er een drietal criteria toegepast:

  1. De eerste grondslag was gebaseerd op het aantal huizen dat een ingezetene in de marke had. Aan ieder woonhuis werd 2 aandelen toegewezen; de meeste ingezetenen hadden maar 1 huis. Grootgrondbezitter baron Sloet had 6 huizen en Helmich had 3 huizen in de marke. Enkele gewaarde boeren hadden 2 huizen. In totaal telde de marke Luttenberg 69 huizen.
  2. De tweede grondslag was een combinatie van de hoogte van de verponding (grondbelasting) en het aantal bunders land dat de ingezetenen reeds in eigendom had. Iedere 5 gulden verponding en iedere 2 bunder land leverde een aandeel op en vervolgens werd het gemiddelde van de aandelen voor de verponding en voor de oppervlakte berekend en dit gemiddelde was de basis voor deze grondslag.
    In totaal bezaten de eigenaren 213 bunder bouwland en 256 bunder weideland; in totaal dus 469 bunder. De gemeenschappelijke gronden hadden een oppervlakte van 1392 bunder. De omvang van de gemene gronden was dus 3 keer groter dan die van de eigen gronden. Het totale bedrag van de verponding bedroeg fl. 909,–
  3. De derde grondslag was gebaseerd op het aantal waardelen dat een eigenaar in de marke bezat. Dit gold dus alleen voor de gewaarde erven: “Ieder volle whare zal gerekend worden voor zes aandelen”. Sinds het ontstaan van de marke Luttenberg waren er in totaal 10 waren, maar door afsplitsingen waren er ook erven met minder dan 1 waar ontstaan, hoewel door de eeuwen heen het aantal van 10 waren ongewijzigd is gebleven.

De gemeenschappelijke heide- en groengronden en het veen werden op basis van bovenstaande verdeelsleutel verdeeld over de ingezetenen met uitzondering van De Berg, die alleen onder de gewaarden werd verdeeld. De Berg sloot aan op hun akkers op de De Enk en wellicht hebben ze daarom de heidegrond op De Berg alleen aan zichzelf willen toebedelen en niet aan de andere ingezetenen.

Gewaarde boeren

Opmerkelijk dat in het verdelingsplan de namen van de eigenaren van de gewaarde erven worden genoemd en niet meer de namen van de erven zoals dat in de voorafgaande eeuwen gebruikelijk was. Hieronder de namen van de erfgenamen met daarachter de naam van het oorspronkelijke erf waaraan een vol of gedeeltelijk waardeel was verbonden:
Jannes Bloeme (Worms),Theodorus Helmich (Herbers en Blikman),G. Kouwert (Vrielink), G. Norp (Norp), Jannes Sent (Herbers), Teunis Stegeman ( Herbers), Bertus Roering (Roerink), Weduwe van Jan Overesch (Woertman), D. Spiekerhuis ( Spiekerhuis), Evert Roeterink (Hekking), Baron Sloet (Reimert, Derks, Hilberts en Harms), G. ten Have (Corbelt).

In totaal waren er in de marke 10 waren gekoppeld aan 12 eigenaren/erfgenamen en 16 boerderijen. Een kwart van de waren was in handen van grootgrondbezitter Coenraad Willem baron Sloet tot Tweenijenhuizen. Hij was in 1789 getrouwd met Maria Gansneb, de zuster en erfgenaam van de in 1836 overleden Jan Jacob Gansneb genaamd Tengnagel tot Luttenberg. De familie met de aansprekende naam Gansneb genaamd Tengnagel uit Kampen was jarenlang de grootste grondbezitter van Luttenberg en tevens eigenaar van de voormalige havezate Luttenberg. De geschiedenis van deze havezate en hun adellijke eigenaren is terug te vinden in het monumentale boek De Havezaten in Salland van A.J. Gevers en A.J. Mensema.
Ook valt op dat het waardeel van erve Herbers verdeeld was over drie eigenaren: Helmich, Sent en Stegeman met elk 1/3 waardeel: kennelijk zijn er ooit twee erven afgesplitst van het oorspronkelijke erf Herbers.

Ongewaarde boeren

Daarnaast deelden ook nog 45 ongewaarde boeren/ingezeten in de verdeling. De meesten daarvan waren keuterboeren die in de eeuw daarvoor aangegraven grond hadden gekocht van de marke. In alfabetische volgorde: L. Assendorp, D. Blikwever, D. Bloeme, A. Bloemenkamp, G. Broeks, G. de Groote, Erfg. Ten Hagenvoorde, Blikman, W. Klomp, Jan Koggel, Antonij Kroems, K. Krukkert, H. Laarman, J. Maatlammers, Jan Meijer, N. Nijlant, H. Nijmeijer, G. Groot Oosterbroek, W. Paddegat, Jan Roseweerd, Egb. Vosse belt, H. Sigmeijer, W. Tutert, G. ten Heuves, Hermannus Vrielink, H. Holtmaat, Alb. Tutert, Jan Nijboer, L. Klein Oosterbroek, Jan Hekkink, G. Vrolijken, D. Korts of Freriks, Scheefkamp, Kerk van Luttenberg, Jannes Broekman, Hend. Stroek, Jannes Vossebelt, G. Koemaat, D. Mestebeld, Hend. Rensen, Arend Schuurman, D. Vonderman, H. Klomp, H. Nijmeijer en de Diaconie van Luttenberg.
Daarnaast waren er ook nog enkele boeren van buiten de marke die wel grond hadden in de marke Luttenberg en ook meededen in de verdeling.

De grootste boeren in de marke zonder een waardeel waren G.Groot Oosterbroek en D. Bloeme. Groot Oosterbroek was al sinds de Middeleeuwen een aanzienlijk erf en toen in eigendom van de adel. Het aantal bunders in eigendom deed niet onder voor de gewaarde erven; integendeel. Het bijzondere van dit erf is dat het geen waardeel had in de marke Luttenberg en dat het lag aan de andere kant van De Berg ten opzichte van de Boerschop: het lag in de Achterberg. Dat gold ook voor het erf Bloeme. Eén van de mogelijke verklaringen hiervoor is dat deze erven oorspronkelijk bij de marke Raalterwoold onder Linderte hoorden en ooit zijn overgegaan naar de marke Luttenberg zonder toekenning van een waardeel. Toch zijn er in de eeuwen daarvoor wel meningsverschillen geweest over mogelijke waardelen van de oude erven in De Achterberg. In het verslag van de markevergadering van 1653 lezen we “…. dat de achterbergsche op den anstaenden Holtink of daer en tusschen zullen hebben in toe brengen het bewijs Haar Wartal”. Hieruit kan worden afgeleid dat de eigenaar van Groot Oosterbroek en wellicht andere eigenaren van erven in De Achterberg van mening waren dat zij wel een waardeel in de marke Luttenberg hadden en dat de erfgenamen vervolgens om bewijs hiervan vroegen. In de jaren daarna is dit onderwerp nog enkele malen besproken tijdens de markevergaderingen, maar hebben “de achterbergse” geen bewijs kunnen leveren van hun waardeel, waardoor deze boeren bij de markeverdeling in verhouding aanzienlijk minder grond kregen toebedeeld dan gewaarde boeren met een minder groot boerenbedrijf. Onder de ongewaarde boeren waren er ook keuterboeren met zeer weinig grond en zelfs boeren zonder eigen grond, die hun bouwland pachtten van de marke.

Verdeling

De Commissie van verdeling besloot het verdelingsplan “Gedurende den tijd van veertien dagen en wel vanaf den 14 tot en met den 28 Augustus (1848) ten huize van de Kastelein Korenromp bij de kerk in Luttenberg voor den belanghebbenden ter inzage neder te leggen”. Het verdelingsplan werd op 7 september 1848 door de markevergadering vastgesteld en bij Koninklijk Besluit Nr. 56 van 29 november 1848 goedgekeurd, waarna kon worden overgegaan tot opheffing en verdeling van de gemeenschappelijke markegronden.
De gemeenschappelijke gronden bestonden met name uit heide en grasgrond, maar iedereen kreeg ook een stukje veengrond of schaddegrond toebedeeld. Wat opvalt is dat er geen sprake is van bosgrond. Kennelijk was Luttenberg in die tijd een kaal landschap van bouwland, heide, groengrond en veen. Ook De Berg was waarschijnlijk een kaal heideveld zonder veel bomen. De te verdelen gronden met hun gebiedsnaam: Schanebroek, Boneveld, Rietveld, Hageveld, Veen, Binnenbroek, Oosterbroek, Ziel, Pollen, De Berg, Buurschap, Endeschot, Lageveld en Blikveen.

Om een indruk te krijgen van de omvang van de te verdelen gronden. Baron Sloet had voordien 79 bunder grond in de marke en door de markeverdeling kreeg hij er 167 bunder bij. G. Norp had 23 bunder en kreeg er 54 bunder bij. G. Kouwert had voor die tijd maar 15 bunder eigen grond en kreeg er 52 bunder bij.
Mijn betovergrootvader Hermannus Vrielink had 2 ½ bunder eigen bouw- en weiland. Bij de markeverdeling kreeg hij bijna 5 bunder gras- en heidegrond en ruim 2 bunder heide in het Schanebroek toegewezen en daarnaast nog ruim 13 roe veengrond in Het Veen.
Theodorus Helmich kreeg veel meer grond toebedeeld dan op grond van zijn aandelen in de Marke Luttenberg was te verwachten. Hij kreeg voordat tot verdeling werd overgegaan al 23 bunder toebedeeld vanwege oude weide- en heiderechten voor zijn pachters op zijn landgoed De Elskamp.

Acte van scheiding

Op 18 juli 1851 is door de Commissieleden Fortuijn, Engbers, Spiekerhuis, Roerink en Kouwert de “Acte van scheiding en deeling der Marke Luttenberg in de gemeente Raelte” ondertekend. Medeondertekenaars van deze akte waren de andere erfgenamen Th. Helmich, G. Norp, J. Wormstal, H. Roeterink namens zijn vader, H. Woertman namens zijn moeder, J. Sent en G. ten Have. Daarna zijn er nog afspraken gemaakt met de gemeente Raalte over de overname van de bruggen en duikers. Ook over het onderhoud van de waterleidingen werden afspraken gemaakt, omdat de afwatering voor Luttenberg erg belangrijk was. De laatste vergadering waarvan in het markeboek verslag wordt gedaan van 19 april 1854 op Het Jagers in Luttenberg eindigt prozaïsch met de zin: “verder niets meer te behandelen zijnde, is deze vergadering besloten”. Hiermee komt met Luttenbergse nuchterheid na honderden jaren een einde aan de marke. Waarschijnlijk hebben de laatste erfgenamen niet beseft dat deze vergadering op een voor Luttenberg historische plek plaatsvond. Het Jagers was namelijk het overblijfsel van de voormalige hof, waarvan al in 1318 melding werd gemaakt en die later de status van havezate heeft gekregen. Dit huis staat nog steeds in de Boerschop te Luttenberg en behoort tot één van de oudste gebouwen binnen de gemeente Raalte.

Bij de verdeling van de markegronden werd er ook rekening gehouden met de kwaliteit van de te verdelen gronden en daarom kregen de ingezeten stukken grond die over het hele oppervlakte van de marke waren verspreid en soms ver van de boerderijen lagen. Boeren uit de Boerschop kregen bijvoorbeeld grond in het Schanebroek meerdere kilometers verwijderd van hun boerderij. Veel van deze gronden zijn gedurende de decennia na de markeverdeling ontgonnen en in gebruik genomen. De versnippering van deze gronden werd in de zestiger jaren van de vorige eeuw steeds meer als een belemmering gezien voor de verdere ontwikkeling en modernisering van het landbouwbedrijf en zou leiden tot een nieuwe verdeling van de gronden: De Ruilverkaveling.

Categorie: < 1949, Algemeen, Cultuur

Comments are closed.