Kleine historie van de grot in Luttenberg, deel 2

| 2 October 2015

In een 3-tal artikelen vertellen we de belangrijkste feiten over de geschiedenis van de grot in Luttenberg, welke plechtig wordt herdacht op zondag 11 oktober 2015.

Deel 2.

De Maria-devotie speelde in de jaren ’20  en ook daarna een gewichtige rol in de parochiegemeenschap van Luttenberg. In al die jaren hebben honderden Luttenbergers de processies steeds meegemaakt. Er werden altijd veel voorbereidingen getroffen. De paden, de pastorietuin, het kerkhof, alles moest er netjes bijliggen. Van de kerk tot de grot werden naast het pad witte vlaggenstokken ingegraven, waar geelwit gestreepte wimpels aan werden opgehangen. In de holte onder de grot werd een altaartafel geplaatst, hier stonden vier kaarsen op. Deze met bloemen versierde tafel diende als rustaltaar.

In 1929, naar aanleiding van het 40-jarig priesterjubileum van Pastoor Butzelaar, is het nu nog bestaande boskapelletje gebouwd. Als derde en laatste rustaltaar diende het kapelletje op het oude kerkhof. Het heeft gestaan op de plek waar nu het grote houten kruis staat. Na de hoogmis op Sacramentsdag werd de processie gehouden. Achter de kerk stelden de mensen zich op in twee rijen van twee. Vanaf de kerk ging men richting de grot. Ondertussen was men begonnen de klokken te luiden. Omdat deze tijdens de hele processie geluid moesten worden, had de koster voor enkele knechtjes gezorgd die aan de klokke touwen moesten trekken.

De volgorde van de processiestoet zag er als volgt uit: Voorop de kruisdrager, gevolgd door een misdienaar met “de bel ten teken dat Ons Heer naderde“. Daarachter liepen de witte bruidjes, de meisjes en de vrouwen. De kerk- en armmeesters volgden met het baldakijn. Daaronder liepen de geestelijken met het Heilig Sacrament, daar achter het koor. De jongens en mannen sloten de rij. Vanaf de eerste processie is het Maria-vaandel meegedragen. Het was een blauw doek met een voorstelling van Onze Lieve Vrouw van Lourdes. Het opschrift geborduurd in gouden letters, luidde “Ik ben de onbevlekte Ontvangenis“. Verder werden meegedragen het Cornelius- en Sacramentsvaandel en vanaf 1917 het vaantje van de Heilige Kindsheid. Zo rond half één was de processie afgelopen . Men ging naar huis, vaak werd een bord “kruudmoes” gegeten en dook men vervolgens het bed in voor een middagslaapje. Vele Luttenbergers hebben de processie meegemaakt. Biddend en zingend zijn ze rondgegaan. Tot 1962, toen trok men voor het laatst richting grot. Veel mensen uit Luttenberg gingen in vroegere jaren uit zichzelf naar de Mariagrot om er te bidden.

Na de Tweede  Wereldoorlog kregen twintig jongemannen uit Luttenberg een oproep zich voor de dienst in het voormalig Nederlands Indië te melden. Hun ouders bleven achter met de klemmende vraag: waar sturen ze die jongens naar toe? Landelijk was er voor de soldaten een Militair Thuisfront. Ook Luttenberg had een afdeling met in het bestuur drie vrouwen, twee mannen en de kapelaan. Ze richten een eigen Luttenbergs Thuisfront op. Op alle bruiloften werd gecollecteerd en er werden speciale avonden gehouden. Het thuisfront verzorgde onder andere de post en verstuurde vele pakjes uit Luttenberg. Op de gebedsavonden bij de grot kwamen vaak veel mensen en ook hier werd geld ingezameld. Na beëindiging van de oorlog in Indië keerden alle Luttenbergse  jongemannen behouden terug.

Er ontstond geleidelijk het idee een blijvende uiting van dank voor de behouden terugkomst te brengen. Dit kreeg vorm in het plan om een verlichte boog aan te brengen rond het Mariabeeld bij de Lourdes Grot. De verlichting zou dan in het teken van ‘een eeuwig durende verlichting‘ geplaatst moeten worden. Het kerkbestuur garandeerde dat er voor het branden der lampjes blijvend stroom geleverd zou worden. De smid kreeg opdracht een dankboog en een lichtbakje te maken. In dit lichtbakje werd een glasplaatje gezet. Tegen de rode achtergrond van het glasvenstertje was de grote “Ave Maria“ goed zichtbaar. Het lichtbakje werd geplaatst aan de voet van het beeld. De stroom moest in het parochiehuis worden afgetapt. De geul voor de kabel van het parochiehuis naar de grot is door “de jongens uit Indië “zelf gegraven. Op de lampjesboog werden 26 lampjes aangebracht 23 op de boog en 3 achter het glasvenstertje.

Bron : Geschiedenis van de Lourdesgrot; Theo Kemper.

Categorie: < 1949, Algemeen

Comments are closed.